in de lente                                                             

Aan Windekind

Daar groent het weer, het tere, frisse leven,

Verborgen lang in harde, bruine knoppen;

Wat lentezon, wat malse voorjaarsdroppen,

En ’t heeft zich aan de wijde ruimte gegeven.


’t Kijkt boven uit der bomen hoogste toppen,

Naar ’t hemelblauw, waar witte wolkjes zweven,

En ’t gluurt, ook in zijn nederigheid verheven,

Uit plantjes, die zich tussen ’t gras verstoppen.


’t Groent overal. En overal is ’t mooi!

En overal hetzelfde goddelijke wonder,

Wáár zich in lentelicht een blaadje ontplooi!

 

Wat vindt het popelblad zich heel bijzonder,

Omdat zijn stam zo kloek naar boven streeft?

’t Is allemaal Zonnekind, wat door het Zonlicht leeft.

(j.l.)





How still the riddle lies     Emily Dickinson 89


Het raadsel ligt doodstil,

want iedere beweging

verraadt ons iets ervan.

Daarom houdt het zich stil,

zodat het – authentiek –

een raadsel blijven kan.


Theo van Baaren: Trommels van marmer, Amsterdam 1986


 

 
Make a Free Website with Yola.