door CHRISTIAAN DE WOLFF


Nescio's beroemde verhaal De uitvreter begint met de haast even beroemde zin: “Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter."

De man die zo van de bomenrijke Amsterdamse Sarphatistraat hield was niet een van Nescio's vrienden en ook niet hijzelf. Het was Frederik van Eeden, schrijver van De kleine Johannes. Inderdaad was Van Eeden ‘een wonderlijke kerel’, met zeer eigenzinnige ideeën over mens en samenleving. Juist de laatste jaren staan deze denkbeelden weer volop in de belangstelling.


Zijn activiteiten als wereldverbeteraar en psychiater en een voortreffelijke roman als Van de koele meren des doods ten spijt, zal Frederik van Eeden altijd in de eerste plaats bekend blijven om De kleine Johannes. De lichte, sprookjesachtige toon en de naïeve, gevoelige hoofdfiguur zijn waarschijnlijk hiervoor verantwoordelijk. Ook na ruim een eeuw is het verhaal overeind gebleven. Van Eeden is er dan ook in geslaagd de truttigheid die dit soort verhalen altijd bedreigt (en waar bij voorbeeld Godfried Bomans' Erik, een boekje dat wel iets van De kleine Johannes wegheeft, enigszins onder lijdt) zoveel mogelijk te vermijden.


De kleine Johannes is niet alleen maar een aardig verhaaltje over een klein jongetje tussen elfjes en kaboutertjes. Het laat zich lezen als de ontwikkelingsgeschiedenis van een kind. Aanvankelijk leeft dat kind in een paradijselijke wereld. Het is een met de prachtige natuur van het duinlandschap, voelt zich niet verwant met de grove, lelijke mensenwereld en stelt zich geen vragen naar hoe' s en waaroms. Johannes staat in deze fase onder invloed van de elf Windekind, een teer, ietwat hooghartig schepsel, die hem een betere wereld dan de mensenwereld leert kennen. Windekind dringt er op aan dat Johannes zijn eigen menszijn ‘afzweert’ en definitief kiest voor zijn paradijsje. Dat paradijsje kan zowel worden gezien als de ‘onbezorgde kinderwereld’ alsook als een van de samenleving verwijderd bestaan, een ‘ivoren toren’. Beide betekenissen zijn waarschijnlijk door Van Eeden beoogd. Toch verwijdert Johannes zich niet volledig van de mensen. Als Windekind en hij een potsierlijk gezelschap in het bos gadeslaan moet Windekind vreselijk lachen, maar Johannes barst in tranen uit. Hij voelt zich nog steeds mens en ook van mensen in hun idiootste gedaante is hij niet volledig vervreemd.


In een volgende fase van zijn ontwikkeling raakt Johannes onder de invloed van Wistik, een kabouter die weliswaar prat gaat op zijn grote kennis maar die volgens Windekind eigenlijk niets weet. Wistik staat, zoals zijn naam al zegt, voor de honger naar kennis. Kennis in puur verstandelijke zin, en dus een kennis die, in overeenstemming met Van Eedens latere theorieën, niet gelukkig maakt. Vanaf zijn Wistik-periode verliest Johannes het contact met Windekind en diens paradijselijke wereld. Pas aan het slot van De kleine Johannes zal Windekind nog eenmaal terugkeren.


Een soort echo van Windekinds verschijning meent Johannes nog op te vangen in de figuur van Robinetta, een bekoorlijk meisje waar Johannes verliefd op wordt. Maar Robinetta's familie accepteert Johannes niet. Opnieuw, na kortstondig geluk, breekt een verstandelijke periode aan. Begeleider van Johannes is nu echter niet meer de betrekkelijk onschuldige, wijsneuzige Wistik, maar een sarcastische, gevoelloze, vleermuisachtige persoon, Pluizer genaamd. Pluizer laat Johannes kennismaken met de afschuwelijke dokter Cijfer, een afgestompte geleerde die anatomische experimenten met kleine dieren verricht, en met de Dood, een op het eerste gezicht afschrikwekkende figuur, die later toch over goedheid en wijsheid zal blijken te beschikken. Pluizer neemt Johannes mee op een afschuwelijke tocht langs begravenen en laat hem in de leer gaan bij dokter Cijfer. Dit alles kan als volgt worden opgevat: het door de eerste drift naar kennis uit het paradijs van de kindertijd verdreven jongetje vindt iets van dat paradijs terug in zijn puberteitsverliefdheid. Het geluk verdwijnt door nieuwe kennis en besef van de eigen sterfelijkheid. Dokter Cijfer ‘staat’ voor de medische wetenschap in haar kilste en onmenselijkste vorm. Van Eeden had een grote afkeer van de traditionele medische wetenschap opgedaan tijdens zijn eigen medicijnenstudie. Met name het anatomieonderwijs in de ‘snijkamers’ kon hij slecht verdragen. Als arts was hij niet gelukkig en, zoals hij zelf eens heeft geschreven, pas "toen ik door het invoeren van een nieuwe geneesmethode - de psychotherapie - aan mijn werk een hogere strekking kon geven, had ik betrekkelijk voldoening".


Na de dood van zijn vader, waarbij Johannes in gezelschap van Pluizer en dokter Cijfer aanwezig is, raakt hij in een handgemeen met zijn cynische begeleider wanneer deze het lijk van Johannes' vader wil gaan ontleden. Johannes overwint en wordt hierom door de Dood geprezen. Vervolgens vertoont Windekind zich weer aan Johannes. Hij leidt Johannes door het schitterende duinlandschap naar het strand. Daar verschijnt een nieuwe begeleider, een soort Christusfiguur, al wil hij deze naam niet dragen. Deze persoon stelt Johannes voor een keuze. Hij kan de stralende weg volgen die hem zal leiden naar alles wat hij heeft gezocht, in gezelschap van Windekind en de Dood, of hij kan met zijn nieuwe begeleider de duistere weg opgaan naar "de mensheid en haar weedom". Johannes kiest voor het laatste De symboliek is hier duidelijk: de keuze die wordt bedoeld is die tussen een verheven bestaan in de ‘ivoren toren’, als kunstenaar, en het zware leven als helper van de mensen, als wereldverbeteraar en arts. 

Zoals we zagen koos Van Eeden anders dan zijn literaire vrienden, die alleen leefden voor de kunst en zich afkeerden van de maatschappij. Twijfel aan de juistheid van zijn keuze heeft Van Eeden nooit verlaten. In 1924, twee jaar nazijn overgang tot het katholicisme en acht jaar voor zijn dood, schreef hij: "Hoe onuitsprekelijk schoon zie ik nu, bij 't licht der herinnering, de dromen, die toen mijn geluk uitmaakten ende stemmingen, die elk landschap met een heerlijken gloed overstraalden. En dat dromen en stemmingen-land - ik verliet het, moedwillig, om te gaan naar het droefste en lelijkste, wat ik van de wereld kende: de achterbuurten van Amsterdam, de snij-kamer, de studentenwereld, met haar fuiven en genot-zoeken, met haar materialistische wetenschap, haar goddeloosheid. En nu - na een halve eeuw lijden en strijden - weet ik nog altijd niet of de kleine Johannes gelijk had, toen hij afscheid nam van Windekind, en de nameloze wreedheid pleegde tegen zijn tederste zelf."


Verder merkte Van Eeden in 1924 nog over zijn keuze als jongeman op: "Vooreerst kwam het niet in mij op, dat de poëzie, die mijnen dag vulde, ook waarde had voor anderen, voor de wereld. De droom- en stemmingsfeer was iets speciaals en persoonlijks van mij. Daarmee hadden anderen niets te maken, ze zouden 't schone maar ontwijden. Ook ergerde het mij hevig, als ik die schoonheid zag gebruiken met materieel belang. Kunst - of liever gewijde schoonheid, moest verre blijven boeven het dagelijks leven."


Dit alles laat zien hoe de eigenzinnige ideeën van de ‘wonderlijke kerel’ Van Eeden een wezenlijk bestanddeel vormen van zijn eerste belangrijke literaire werk, een verhaal dat hij al vlak voor zijn vijfentwintigste verjaardag schreef en dat voor oppervlakkige lezers niet meer lijkt dan een prettig leesbaar sprookje.


De sprookjesachtige sfeer is trouwens grotendeels verdwenen uit de twee vervolgdelen die Van Eeden nog bij De kleine Johannesschreef (in 1905 en 1906), zoals hij al in de laatste regels van het eerste deel aankondigde. Johannes mengt zich in de stad onder arme mensen en vat grote sympathie - die tenslotte zal uitlopen in liefde - op voor het kermismeisje Marjon. De begeleider die hij op het strand ontmoette blijkt in het dagelijks leven een gewone scharensliep, Markus Vis geheten. Later, nadat hij nog een poos in huis heeft gewoond bij een rijke tante die niet wilde dat Johannes in het ordinaire kermismilieu verkeerde, trekt hij samen met Marjon en haar aapje door Duitsland. Ze verdienen geld door het zingen van liedjes. Johannes schrijft daarvoor de teksten, Marjon componeert er melodieën bij en speelt gitaar. Markus is vaak in hun buurt. Zijn rol is erg belangrijk. Zowel voor Marjon als voor Johannes geldt hij als een groot voorbeeld. Geregeld laat hij zien dat hij niet zomaar een scharensliep is maar eigenlijk een Christusfiguur. Hij heeft zijn leven in dienst van de armen gesteld en heeft zo bewust voor de armoede gekozen. Zijn redevoeringen zijn bezielend en maken diepe indruk op ieder die ze hoort. Vertegenwoordigers van de officiële kerk, zoals de dominee van Johannes' tante, weet hij zonder moeite af te troeven, zo niet in hun hemd te zetten.


In het derde deel verlaat Johannes Marjon en Markus een tijdlang ten gunste van de Engelse gravin Dolores, op wie hij verliefd is geraakt. Hij heeft haar met haar twee elfachtige dochtertjes, die eveneens een buitengewone bekoring op hem uitoefenen, ontmoet in Duitsland. In hun gezelschap bevindt zich ook jonker Walter van Lieverlee tot Endegeest, theosoof, spiritist en dichter. Deze figuur, nauwelijks anders te betitelen dan als een hooghartige slijmerd en hypocriet, trouwt tenslotte met de gravin, tot diepe teleurstelling van Johannes. Eerder al is Johannes tot het besef gekomen dat hij in het deftige, lege wereldje rond de gravin niet thuishoort. Opnieuw gaat hij met Marjon en Markus onder de armen leven. Markus manifesteert zich nu steeds sterker. Hij wordt in de gevangenis gezet, maakt zich daarna impopulair bij de socialistische beweging en belandt ten slotte definitief in de klauwen van de justitie wanneer hij de huwelijksinzegening van het koninklijk paar heeft verstoord. De verwondingen die hij daarna oploopt leiden tot zijn dood. Zijn discipelen Johannes en Marjon leven verder in zijn geest. Johannes kan zich eindelijk volledig aan de mensheid geven en het feit dat hij met Marjon gaat trouwen drukt dit mede uit.


De sprookjesachtige figuren uit het eerste deel keren een enkele maal terug. Met name Wistik, die Johannes meeneemt naar het rijk van Pan en naar de duivel, koning Waan. Windekind verschijnt tegen het slot van het derde deel aan Johannes in een droom. Hij toont Johannes een betere wereld zoals die in de verre toekomst verwezenlijkt zal zijn. In tegenstelling tot Windekinds paradijs uit het eerste deel is deze wereld een mensenwereld. Windekind heeft zijn elfen-hooghartigheid verloren.


Thema van de vervolgdelen is, heel grof geformuleerd, de verdere menswording van Johannes. Onder leiding van Markus, in zekere zin de eigenlijke hoofdfiguur, leert hij te leven met de consequenties van de keuze die hij aan het slot van het eerste deel heeft gedaan. Verder ingaan op de vele motieven, bijfiguren en symbolen uit de vervolgdelen zou ons te ver voeren. Temeer omdat naar mijn smaak en die van vele andere lezers Van Eeden het peil van het eerste deel niet heeft kunnen handhaven. Hoewel met name de parodiërende passages (de beschrijvingen van het christelijke milieu van Johannes' tante en het spiritistische genootschap rond gravin Dolores) geslaagd zijn en ook de nuchtere, oprechte Marjon goed uit de verf komt, is naar mijn gevoel de Markus-figuur mislukt, waardoor het geheel aan overtuigingskracht inboet. Bovendien raak je als lezer door de veelheid en het verschillend karakter van de gebeurtenissen wat verward: lees je nu een realistisch, een symbolisch of een sprookjesachtig verhaal?


Mocht De kleine Johannes zo'n indruk maken dat een hevig verlangen ontstaat om meer werk van Van Eeden te verorberen, dan lijkt Van de koele meren des doods mij een betere keus. Beter dan welk ander boek van zijn hand ook laat deze roman zien hoe een groot schrijver de nog steeds omstreden "wonderlijke kerel" Frederik van Eeden kon zijn.



Uit het dagboek van Van Eeden:

9 mei (1889)


Johannes vanavond overgelezen. De details zijn goed, maar als geheel viel 't me toch tegen. De dramatische structuur is zwak  en merkbaar in onzekerheid gemaakt. En toch zijn er dramatische momenten in. Daardoor lijkt het minder goed dan 't is. Ik heb een gevoel of ik nú veel beter zou kunnen. Datzelfde goede schrijfwerk tot één vast, gelijkmatig geheel.


Bron:

BulkBoek – jrg. 11/nr. 125



 
Make a Free Website with Yola.